Undercover in Klein-Marokko. Achter de gesloten deuren van de radicale islam in Molenbeek.

  • strict warning: Declaration of views_handler_filter_node_status::operator_form() should be compatible with views_handler_filter::operator_form(&$form, &$form_state) in /home/hvv1b/public_html/sites/all/modules/views/modules/node/views_handler_filter_node_status.inc on line 13.
  • strict warning: Declaration of views_plugin_style_default::options() should be compatible with views_object::options() in /home/hvv1b/public_html/sites/all/modules/views/plugins/views_plugin_style_default.inc on line 24.
Non-fictieNon-fictie
boek-afbeelding: 
Auteur: 
Hind Fraihi
Uitgeverij: 
Van Halewyck Kalmthout, 2016.
ISBN: 
978 94 6131 522 9

De ouders van Hind komen begin ’60 vanuit Marokko naar België, een land waarvan ze denken dat ze het daar goed zullen hebben. Ze doen hun best om te “integreren”, proberen Nederlands te leren, maar dat integreren gaat zeer moeilijk. Ze blijven “vreemden” tussen de Vlamingen. Toch besluiten ze te blijven en ze “doen” het goed, zoals vele andere van hun landgenoten.

Hind Fraihi groeit op als een vrije, gematigde moslima die een zeker soort islam, zoals ze die in België wel waarneemt, niet echt begrijpt. Als onderzoeksjournaliste besluit ze twee maanden undercover te gaan in het radicaal islamitisch milieu dat zou bestaan in Molenbeek (en dit onder voorwendsel een scriptie te schrijven).'Undercover in klein-Marokko' is daar het resultaat van. Ze schrijft dit boek nadat ze resems moskeeën en moslimverenigingen bezocht, met wisselend succes jongeren (en eigenlijk gelijk wié die bereid was om met haar te praten) aansprak. Het loopt niet allemaal en altijd even vlot, ze voelt zich uiteindelijk toch niet veilig in Molenbeek, trekt weer thuis in en pendelt iedere dag heen en weer - vergezeld van haar jongste (struise) broer. Niettegenstaande de druk om te zwijgen, zal ze toch voor openheid en eerlijkheid kiezen en haar boek publiceren. Dit is ondertussen 10 jaar geleden en de vraag die zich opwerpt is natuurlijk: Hoe waren de verhoudingen met - en de aanwezigheid van de islam toén, en maakte dit boek wederzijds begrip gemakkelijker? 

Een vaststelling die ze al meteen bij het begin van onderzoek maakt, is hoe het met vele inwijkelingen al in de tweede generatie mis loopt. Ze vinden moeilijk werk, gedeeltelijk door gebrek aan opvoeding want vele migrantenouders hebben geïnvesteerd in een huis (drie hoog) in Marokko “gebouwd met wat spaargeld en de kinderbijslag” maar niet in de opleiding van hun kinderen. Ze hebben het dus moeilijk om aan werk te komen en keren zich tegen het land waar ze geboren werden; het wordt voor hen het “land van ongelovigen”, ze worden opgehitst door geïmporteerde predikers en anti-westerse propaganda die hen via ontelbare schotelantennes (“De navelstreng met het moederland en het mes dat nagenoeg elk contact afsnijdt met het immigratieland.”), boeken en pamfletten bereikt vanuit het Midden- Oosten, vooral na “11 september.” Ze evolueren naar een “fel geradicaliseerde versie” van de islam. De jongeren hebben geen rolmodel van hun ouders meegekregen, want zij die wél profiteerden gewoon van naar België te komen, hadden al vlug een huis en een auto. Discriminatie is er zeker, maar het wordt gemakkelijk  als excuus aangehaald door kinderen van de tweede en derde generatie die in de naam van tolerantie maatschappelijk verwend worden (OCMW-steun) en die niet willen werken.

Dus toen al werd de tegenwoordig zo vaak aangehaalde vicieuze cirkel of kringloop in gang gezet van lage opleiding- werkloosheid (soms liever niet werken) - discriminatie op de arbeidsmarkt - geluk zoeken in zwarte markt en misdaad - potentiële radicalisering - terreur. Alhoewel dit zeker niet de de enige oorzaak is, want Hind Fraihi stelde dan al vast dat ook bij diegenen die kansrijk opgroeien (“tussen de petits bourgeois”) er heel wat moslimextremisten te vinden waren. Als je extrapoleert, is het niet verbazingwekkend dat deze radicalisering uitmondde in een aanzienlijk contingent Syriëstrijders en een reeks terreuraanslagen.

De aparte status van de vrouw is natuurlijk ook één van haar onderzoekspunten. Fraihi ondervindt hoe ze als jonge vrouw apart behandeld wordt, verplicht wordt een hoofddoek te dragen, volledig weggehouden wordt van mannen, in de moskee naar een aparte ruimte moet. Boerkameisjes schudden haar systematisch twee maand lang af (“Nee, ik praat niet.”), worden onderdrukt, bewust passief en dom gehouden door man en macht - desnoods met geweld en meestal in naam van de islam. De schrijfster ervaart dat ze zedig islamitisch gekleed moet gaan, niet echt au serieux genomen wordt, wantrouwig of kleinerend behandeld wordt. Nochtans is de achterstelling van de vrouw in de Arabische wereld niet het gevolg van de islam maar van culturele gebruiken. De Islam zette immers sinds de openbaring van de profeet net een vooruitstrevende vorm van vrouwenemancipatie in gang. Hij maakte van de vrouw “een vrije en onafhankelijke persoon, de gelijke van de man.” Ze mag haar erfenis volledig voor zichzelf houden, het geld dat ze verdient mag ze volledig voor zichzelf houden, ze mag eigendom bezitten, wettelijke contracten afsluiten, handel drijven en haar vermogen beheren. (in hoeverre dit op dit ogenblik ook werkelijk gebeurt, onderzoekt Hind Fraihi jammerlijk genoeg niet.) Vrouwen thuis - zeker de rijpere vrouwen uit de vroegere traditie - hebben wel een stem in huis, maken het gezellig, dragen meestal (figuurlijk) de broek en praten vrij over seks. (“Je zou er soms rode oortjes van krijgen.” ) En er zijn ook de militante moslima’s die het vooral in de vrouwenafdeling van de moskee voor het zeggen hebben. Althans zolang ze absoluut geen contact hebben met een man behalve dan langs een doorgeefluikje met gordijntje, of over de intercom. Zelfs de videopreek van de imam is enkel te zien en horen langs luidspreker en scherm…

Als vrouw mag je trouwens niet in de moskee komen bidden als je je maandstonden hebt, want dan ben je 'onrein'. Volgens een enquête van een Marokkaanse vrouwenorganisatie voelt 86% vrouwen zich seksueel geïntimideerd op straat; De Moslims in het Westen zijn meer uitgesproken islamitisch “correct” dan in de thuislanden. Bijvoorbeeld: in tegenstelling tot de strikt gescheiden fitnesscentra in België waar vrouwen dan wel sporten in sportkledij maar wél heel zedig met lange mouwen en zo weinig mogelijk bloot, beschrijft Hind haar ervaring in de Marokkaanse hammams waar vrouwen lekker gezellig en bloot “badderen”en babbelen, elkaar met water overgieten, haar wassen en kammen.

Ook de achterstand in de “Arabische” landen (maatschappelijke achterstelling, gebrek aan tewerkstelling, gebrek aan degelijk onderwijs en gezondheidszorg, gebrek aan een stevige sociale zekerheid, bedelende en snuivende straatkinderen, nauwelijks enige nieuwe Arabische schrijvers van enig niveau, een filmindustrie op apegapen; buiten de Koran en religieuze boeken, traktaten en pamfletten worden amper 4 boeken gelezen per miljoen Arabieren, 53 kranten per 1000 lezers …) ligt niet aan de islam, want in het verleden leidde een op de islam gebaseerde kennismaatschappij tot allerlei uitvindingen, wetenschappelijke bedrijvigheid en culturele productie in de wereld.    'De weg van de Moslim' is één van de weinige Nederlandstalige boeken die in winkels, bibliotheken en boekhandels van zogenaamde vredelievende moslimorganisaties te koop zijn en die de schrijfster te zien krijgt. Uit deel 3, gewijd aan de jihad, haalt de schrijfster aan: ”Wanneer men u vraagt de wapens op te nemen, aarzel dan niet om het te doen. ”Het doel? Strijden tot de aanbidding geheel aan Allah toekomt. De stervende strijder wacht dan een mooie beloning in het paradijs.” Verder vertelt het boek hoe je met oorlogsuitrusting op de uitkijk moet staan naar de vijand. “Het is de meest verdienstelijke handeling die iemand dichter tot Allah brengt.” “Zich voorbereiden op de jihad wil zeggen zich met allerlei soorten wapens uitrusten.” “De aanschaf van oorlogsmateriaal is een verplichting.”

Niet verwonderlijk dus, dat Hind moet vaststellen dat “Een aantal jongeren, 15 misschien, het hebben over aanslagen plegen alsof het kinderspel is… Merkwaardig is hoe er met een soort vanzelfsprekendheid over zelfmoordacties wordt gesproken. En er wordt geronseld. Zo zegt een jongen van 17: “Soms komen hier oude mannen, heel traditioneel gekleed met lange baard. Ze vragen ons of we trainingskampen willen volgen in Afghanistan. Sommige van mijn vrienden zijn op de vraag ingegaan.” Een andere jongen: “Er zijn ronselpraktijken in het Brusselse. Zo werd mijn broer bijvoorbeeld eens aangesproken door een Schaarbeekse imam om de jihad te voeren.”

10 jaar geleden kon schrijfster zich nog de vraag stellen: “Wat maakt een mens een Moslim?”  en “Wat is extremisme?” Toen was er nog een zekere waardering voor de Belgische staat die hen “eten, drinken, werk” gaf. Wél waren ze tegen de Europese vrijheid die overspel en pedofilie niet bestrafte. Ook was er Amerika die om olie een oorlog begon in Irak en voelden ze al aan dat “jongeren met een grote bek” terroristische acties wilden ondernemen (“het zijn bommen die elk ogenblik kunnen ontploffen.”) Want de jihad begint met woorden “maar als woorden niet helpen, zijn alle middelen gerechtvaardigd.” De satellietzenders waren druk bezig met opruien en haatzaaierij tegen het Westen en de zionistische lobby. En godsdienst werd gebruikt om mensen zo dom en zo conservatief mogelijk te houden en zeker geen (zelf)kritische moslims te vormen. 

Maar de tijd was toen blijkbaar niet rijp om wat Hind Fraihi in dit boek schreef, echt ernstig te nemen.

 

V De Raeymaeker